| |
 | Orde | : | Koekoekvogels (Cuculiformes) |  | Familie | : | Koekoeken (Cuculidae) |  | Lengte | : | 32 tot 36 cm |  | Geluid | : | |  | Biotoop | : | |  | Periode | : | |  | Aantal broedparen | : | Ruim 5.000 |  | Toename of afname | : | Lichte afname |  | Bijzonderheden | : | De koekoek staat op de rode lijst. | |
|
Kenmerken | De bovenzijde van het mannetje is blauwgrijs van kleur |  |
Het vrouwtje heeft of een grijze of een bruine bovenzijde |  |
De onderzijde is vaalwit en voorzien van donkere dwarsbanden |  |
De staart is donker, afgerond en bezet met witte vlekken |
| | |  |
Omschrijving
De koekoek is een schuwe vogel die zich zelden laat zien, maar veelvuldig de herkenbare roep koe-koek laat horen. Het mannetje heeft een grijze bovenzijde, maar bij het vrouwtje bestaan twee kleurvarianten: grijs en bruin. In de vlucht vallen de spitse vleugels op, die doen denken aan de vleugels van een valk.
De koekoek is een broedparasiet en laat het broeden en grootbrengen van de jongen over aan andere vogels. De koekoek is hierin dermate gespecialiseerd dat de eieren lijken op de eieren van de gastvogels. Meestal komt het ei van de koekoek eerder uit dan de andere eieren in het nest. De jonge koekoek gooit vlak nadat het uit het ei is gekropen de andere eieren en eventuele jongen over de rand van het nest, zodat de vogel al het door de gastvogels aangevoerde voedsel op kan eisen. Het vrouwtje legt in ieder nest slechts één ei en bezoekt op deze manier ongeveer tien nesten per broedseizoen.
|