 | Orde | : | Pleviervogels (Charadriiformes) |  | Familie | : | Jagers (Stercorariidae) |  | Lengte | : | 42 tot 50 cm |  | Geluid | : | |  | Biotoop | : | |  | Periode | : | |  | Aantal broedparen | : | Geen | |
|
Kenmerken | De rug is donkerbruin van kleur |  |
De bovenkant van de kop is donkerbruin |  |
De onderzijde is of vaalwit of donkerbruin gekleurd |  |
Bij een witte onderzijde is een borstband van donkere vlekjes aanwezig |  |
De middelste staartpennen zijn verlengd, breed en enigszins gedraaid |
| | |  |
Omschrijving
Net als bij de kleine jager en de kleinste jager zijn er ook bij de middelste jager twee verschillende kleurvormen. De lichte vorm heeft een bijna witte onderzijde met een donkere borstband en een donkerbruine kruin. De donkere vorm, welke het talrijkst is, heeft een geheel donkerbruin verenkleed. De donkerbruine vogels zijn te onderscheiden van de grote jager, door de verlengde middelste staartpennen. De kleine en de kleinste jager hebben ook twee verschillende kleurvormen, en hebben net als de middelste jager verlengde middelste staartpennen. De middelste jager is van deze soorten te onderscheiden doordat de verlengde staartveren enigszins gedraaid, breed en afgerond zijn.
Net als de andere soorten jagers, is ook de middelste jager een kleptoparasiet, een vogel die een deel van zijn voedsel verkrijgt door deze van andere vogels te roven. Broeden doet de vogel in de toendragebieden langs de kust van Noord-Rusland. De vogel doet als doortrekker in kleine aantallen ook de Nederlandse kust aan.
|